Fragment

Saskia Wijsbeek, auteur autobiografie Ondankbaar Loeder, alleen op de skipiste

In de koude nachten zoek ik jou
Mijn hart is groot en voelt leeg
Hunkert naar een kus
Geluk is een kaars in de wind
Naar buiten en zoek de vlam
Vaarwel angst en verdriet
De vlam in mijn hart

Een aantal jaar heb ik skiles gevolgd. Mijn moeder vond dat ik mijn best niet deed en dat ik ongeïnteresseerd was tijdens de lessen. Na een aantal jaren hoefde ik niet meer in een klasje. Dat scheelde weer geld. Volgens mijn moeder was mij toch niets te leren. Ik zwierf de hele dag in mijn eentje op de pistes. Behoorlijk eenzaam voor een meisje van circa negen jaar. Ik was volledig op mezelf aangewezen. Omdat ik al gauw geen zin meer had om van negen tot vijf op de ski’s te staan, ging ik eerder terug naar het hotel. Al snel had iemand van het hotel aan mijn ouders verteld, dat ik rond drie uur in het hotel aankwam. De wereld was te klein. “Weet je wel hoe duur zo’n vakantie is?” werd mij met een verwijtende toon gevraagd. “Je bent een ondankbare loeder!” Jaar-in-jaar-uit hoorde ik dit soort geschreeuw en verwijten. Ik was gewoon moe en eenzaam. Ik had het wel gezien met die sneeuw. Soms trof ik mijn broers. Die vonden hun kleine zusje maar wat lastig, dus dan werd ik weer weggestuurd.

Jarenlang heb ik gedacht dat mijn ouders niet mijn ouders waren. Zelfs toen ik al jaren het huis uit was, heb ik dit nog gedacht. Ik begreep niet waarom ik zo’n eenzame jeugd heb gehad. En dat soort eenzaamheid is iets wat nooit went. Geen enkel kind zou zo eenzaam moeten zijn.

Regelmatig logeerde ik bij Jan en Els, zij waren altijd hartelijk en lief voor mij. Op een avond lag ik al in bed toen de deur van mijn slaapplek openging. De buurjongen kwam binnen en zonder iets te zeggen kroop hij naast me en begon aan me te zitten. Ik wilde dit niet, maar hij vertelde dat ik gewoon moest gaan genieten, want anders zou ik hier nooit meer mogen blijven slapen, daar zou hij wel voor zorgen. Ook gaf hij aan dat ik over zijn handelingen mijn mond moest houden. Verward en angstig heb ik hem zijn gang laten gaan. Als ik niet meer bij Jan en Els zou kunnen komen dan zou ik helemaal niemand meer hebben. Misselijk was ik van ellende. Ik had me voorgenomen om nooit meer in de logeerkamer te blijven slapen. Daar was het niet veilig. Een paar weken later vroeg Jan of ik weer bleef slapen. Nu niet in de logeerkamer, want die was bezet. Ik was allang blij niet naar huis te hoeven, en bleef slapen tussen hen in. Nu zou er niets kunnen gebeuren. Jan en Els vertrouwde ik volledig. Els sliep al snel (of deed alsof), en toen voelde ik de handen van Jan op mijn lijf. Muisstil heb ik alles laten gebeuren. Ik realiseerde me dat, als ik zou tegenwerken, ik mijn “veilige haven” kwijt zou raken. Ik koos voor het meewerken.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.